De jodenvervolging in Nederland

Historisch overzicht van de holocaust...

In 1940 woonden er ruim 140.000 joden in ons land. Hieronder bevonden zich zo'n 22.000 vluchtelingen uit Duitsland. Op een totale bevolking van ruim negen miljoen maakte dit Nederland tot een land met een groot aantal joodse medeburgers. Desondanks speelde het anti-semitisme geen rol van betekenis in de Nederlandse politiek. Zelfs de nationaal-socialistische NSB was aanvankelijk niet anti-semitisch. Vanaf 1935 radicaliseerde de NSB en nam ze een anti-joodse houding aan. In 1940 speelde de partij van Mussert echter geen rol meer in de nationale politiek. Bij de verkiezingen in 1937 en 1939 behaalde de NSB niet meer dan vier procent van de stemmen.

Met de Duitse inval kreeg Nederland ook het ‘jodenprobleem’ opgedrongen. Vrij snel na de capitulatie op 15 mei 1940 werden de eerste anti-joodse maatregelen uitgevaardigd. Zo mochten vanaf 1 juli 1940 geen joden meer lid zijn van de Luchtbeschermingsdienst. In snel tempo werd een systeem opgebouwd om het mogelijk te maken de joden op te pakken en te deporteren.

De bezetter trof in Nederland een goed georganiseerde persoonsregistratie aan, waardoor het relatief eenvoudig werd om systematisch mensen op te sporen en op te pakken. Het systeem werd bovendien nog met veel ijver geperfectioneerd door het fanatieke hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, J.L. Lentz. Zie hierover het artikel: Het Persoonsbewijs.

VERPLICHTE AANMELDING
Op 10 februari 1941 vaardigde Rijkscommissaris Seyss-Inquart een verordening uit waarin werd bepaald dat ‘degene die geheel of gedeeltelijk van joodsche bloede zijn en hun verblijf hebben in het bezette Nederlandsche gebied" zich moesten aanmelden. Dit betekende dat iedereen met tenminste één joodse voorouder zich moest vervoegen bij het gemeentehuis (in Amsterdam bij de Joodsche Raad voor Amsterdam). Als men zich had aangemeld, werd een zogenaamd ‘Bewijs van Aanmelding’ verstrekt.

Wie denkt dat dit bewijs gratis werd overhandigd, heeft het mis. De Nederlandse overheid verdiende geld aan deze maatregel, want men moest één gulden leges betalen. De helft van dit bedrag kwam in de kas van de gemeente, de andere helft werd overgemaakt naar de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters, een Nederlandse ambtelijke dienst verantwoordelijk voor de persoonsregistratie. Om de betreffende persoon later nog eens te herinneren aan deze discriminerende maatregel, werd een speciale kwitantie ontworpen. Middels een standaardtekst verklaarde de burgemeester van de woonplaats dat hij één gulden had ontvangen ‘wegens leges, verschuldigd voor de uitreiking van 1 aanmeldingsbewijs ingevolge de verordening 6/1941 betreffende den aanmeldingsplicht voor personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’.

Door dit soort maatregelen en provocaties van nationaal-socialisten nam de spanning toe. Regelmatig kwam het tot ongeregeldheden waarbij zelfs dodelijke slachtoffers vielen. Als vergelding voor relletjes in Amsterdam werd op 22 en 23 februari 1941 de eerste razzia in Amsterdam gehouden. Vierhonderd joodse mannen werden opgepakt en gedeporteerd naar het concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk. In reactie hierop brak de februaristaking uit. Dit was de eerste grote demonstratie tegen de Duitse bezetter.

Ondertussen werden in 1941 steeds meer anti-joodse maatregelen afgekondigd. Zo werden bijvoorbeeld in maart de bedrijven van joodse eigenaren onder toezicht van een zogenaamde ‘Verwalter’ geplaatst. Hiermee ging de zeggenschap over het eigen bedrijf feitelijk verloren. In april moesten de joden hun radiotoestel inleveren. En vanaf begin juni mochten joden niet meer in badplaatsen, plantsoenen e.d. komen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele besluiten die afgekondigd werden.

HET PERSOONSBEWIJS
Ook een andere zeer belangrijke maatregel stamt uit 1941: de invoering van het Persoonsbewijs. In april 1941 werd begonnen met de uitreiking van dit legitimatiebewijs. Alle ingezetenen ouder dan veertien jaar moesten zich hiermee kunnen legitimeren op straat. joden kregen twee grote J's op het Persoonsbewijs gestempeld. Hierdoor werd het voor deze bevolkingsgroep onmogelijk om bij controles haar achtergrond te verloochenen.

Eind 1941 begint de feitelijke deportatie als alle buitenlandse joden - waarvan de meeste Duitse vluchtelingen waren - zich moesten melden voor ‘vrijwillige emigratie’. En begin 1942 werd de eerste groep Nederlandse joden uit Amsterdam overgebracht naar speciale joodse werkkampen.

Om de deportatie te vergemakkelijken besloten de bezettingsautoriteiten begin 1942 dat alle joden uit een groot aantal gemeenten naar de Amsterdamse jodenwijk moesten verhuizen. Op 17 januari waren de joden uit Zaandam als eerste aan de beurt. Na 3 mei van dat jaar moesten de joden een gele jodenster op hun kleding dragen als zij zich op de openbare weg bevonden. Ook voor deze discriminerende stukjes stof moest worden betaald en de aanschaf ging bovendien van het kledingrantsoen af.

DEPORTATIE
Ondertussen waren de voorbereidingen voor de deportatie van de Nederlandse joden in een eindstadium gekomen. Op 26 juni 1942 kreeg de Joodschen Raad van Amsterdam van de bezetter te horen dat de joden gedeporteerd zouden worden en dat zij daarbij een rol diende te spelen. De Joodschen Raad zou de selectie moeten doen.

In juli 1942 werd het kamp Westerbork door de Duitsers ingericht als Polizeiliches Durchgangslager. In 1939 was dit kamp door de Nederlandse overheid opgericht om gevluchte Duitse joden onderdak te geven. Het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork was aanvankelijk berekend op achtienhonderd inwoners. De Duitsers maakten dankbaar gebruik van deze voorziening. Zij gaven opdracht het kamp uit te breiden met nog vierentwintig grote barakken voor in totaal 7200 personen. Hierdoor kwam de capaciteit van het kamp op negenduizend. De overige voorzieningen, b.v. bedden, waren echter volstrekt ontoereikend voor dit aantal. Bovendien lag er geen spoorweg naar het kamp. In de eerste periode moesten de gevangen dan ook vijf kilometer vanuit Hooghalen lopen. De Duitsers gaven opdracht aan de Nederlandse Spoorwegen om een aftakking te maken. Vanaf 2 november 1942 stopten de treinen in het kamp.

EERSTE RAZZIA
Op 11 juli 1942 protesteerden de Nederlandse kerken tegen de aangekondigde deportatie van de joden. Desondanks werd drie dagen later de eerste grote razzia gehouden op joden in Amsterdam-centrum en -zuid. De opgepakte joden werden direct overgebracht naar het Westerbork. Op 16 juli vertrok de eerste trein met Nederlandse joden vanuit het Drentse kamp naar Auschwitz. De ‘Endlösung der Judenfrage’ in ons land was feitelijk begonnen.

WESTERBORK
In Westerbork ging het leven zo goed en zo kwaad als het ging door. De families woonden in barakken bij elkaar en mannen en vrouwen deden er alles aan om een baantje te krijgen in de diverse werkplaatsen, de ziekenbarak en zelfs onder strikte bewaking buiten het kamp op boerderijen. Veel werd er in de werkplaatsen niet geproduceerd. Het werk was meer een afleiding voor de permanente dreiging om op transport te gaan dan een serieuze economische activiteit. Wie werk had, wist bovendien dat de kans om op transport gesteld te worden veel kleiner was. Binnen het kamp werd betaald met speciaal kampgeld. Dit werd verstrekt in ruil voor het geld dat de gevangenen meebrachten als zij het kamp binnenkwamen. Hiermee kon onder andere worden betaald in de kampwinkel en in het restaurant. Ondanks deze voorzieningen was het leven in Westerbork ronduit moeilijk. Het kamp was een belangrijk deel van de tijd overbevolkt. Zo waren er op 3 oktober 1942 veertienduizend gevangen aanwezig en op het hoogtepunt zelfs zeventienduizend. Er ontstond dan ook een steeds groter gebrek aan voedsel, drinken en andere essentiële goederen. Bovendien leefden de bewoners continu in angst om op de transportlijst te worden geplaatst.


De razzia’s en deportaties naar Westerbork duurden tot oktober 1943. Bij de laatste grote razzia in Amsterdam werden tienduizend personen opgepakt. Hieronder bevonden zich de voorzitters van de Joodschen Raad van Amsterdam.

In Westerbork werden de deportaties voorbereid door de Joodse Orde Dienst. De Duitsers hadden dit sluw aangepakt: het waren de joden zelf die de transportlijsten samenstelden. De transporten naar de concentratie- en vernietigingskampen werden uitgevoerd met veewagons. In iedere wagon werden tussen de vijftig en zeventig personen vervoerd. Zieken, gehandicapten, ouderen, kinderen werden in de overvolle goederenwagons geperst. Zes jaar voor het begin van de deportaties was er in Amsterdam nog een proces gevoerd over de vraag of er veertien of vijftien koeien in zulke wagons vervoerd mochten worden. De rechter veroordeelde een veehandelaar omdat hij één koe teveel in de wagon had geladen voor een ritje van Zutphen naar Amsterdam. Tijdens de bezetting liet de Nederlandse overheid zich echter weinig of niets gelegen liggen aan het lot van de joden, die op elkaar gepropt twee tot vijf dagen onderweg waren naar kampen in Oost-Europa.

Van de ruim honderdduizend Nederlandse joden die via Westerbork zijn gedeporteerd, is meer dan de helft naar Auschwitz overgebracht. Op 3 september 1944 vertrok de laatste van de in totaal vijfenzestig treinen vanuit Westerbork naar dit vernietigingskamp. Van de 60.026 gedeporteerden naar Auschwitz hebben slechts 1052 het overleefd.

Naast Auschwitz vertrokken er ook treinen naar kampen als Sobibor - negentien treinen met ruim 34.000 joden, waarvan er nog geen twintig het overleefden - en Theresienstadt - negen treinen met bijna vijfduizend personen, waarvan er nog geen tweeduizend de oorlog overleefden.

Bij de bevrijding op 12 april 1945 bevonden zich nog zo’n negenhonderd gevangenen in Westerbork. Van de 140.000 joodse Nederlanders zijn er ongeveer 110.000 door de nazi’s vermoord.

© Harold Makaske 29 augustus 2005 - Hoofdstuk: 9. Geschiedenis