Over de homo campingus...
Wie ons een beetje kent, weet dat we helemaal niets hebben met kamperen. Als het even kan mijden wij de campings. Vroeger tijdens de vakanties met de Toyotabus stonden we maximaal twee tot drie nachten per vakantie op een camping. Verder redden wij ons prima met water dat wij op begraafplaatsen haalden en zwemwater om weer schoon te worden.
Nu hebben we een super de luxe camper met douche, toilet, kleine oven voor broodjes, grote oven met grill voor complete maaltijden, stromend warm en koud water en een vierpits gasstel. Maar ja… douchen in een camper op een kerkplein of op een begraafplaats vinden we bizar en kost veel te veel water. En het zwemwater is nog veel te koud in mei, dus staan we om de paar dagen op een camping om de auto weer bij te tanken en onszelf schoon te schrobben.
En daar maak je dan kennis met het fenomeen campingleven. Het campingleven in mei betekent bivakkeren tussen de bejaarden en drempelbejaarden uit Duitsland, Zwitserland, België, Groot Brittannië en Nederland. De Europese grijze plaag strijkt in de winter, het voor- en naseizoen neer op de meest kindvriendelijke plekken op het continent.
De eerste camping die we aandoen ligt aan de Atlantische Oceaan in Noord Spanje. Aangekomen parkeer ik het logge monster, bind Bram- onze trouwe viervoeter - aan een boom en zet de stoelen lukraak naast de auto. Al snel zie ik dat het helemaal fout is.
Als je erbij wil horen, moet je de regels volgen. De camper moet keurig in lijn met de collega auto’s staan. Je hoort de voorwielen direct op blokken te zetten, want anders staat hij scheef. Die blokken liggen in de auto, maar dat kan toch ook later nog wel een keer? Alsof wij er wakker van liggen dat de pannenkoeken aan een kant dikker worden. Ook voor het neerzetten van het zitje bestaan regels. Op deze camping hoor je pal aan de weg te gaan zitten; netjes naast elkaar met een tafeltje ertussen. Die ‘ordnung muss sein’-mentaliteit zit niet in ons bloed en al snel ligt onze kampeerplaats dus bezaaid met speeltjes, kussens en dekens van Bram en allerhande gebruiksvoorwerpen van onszelf. Corine spreekt in dit kader van de ‘ma-Flodder-voortuin’.
Alles netjes in rij
En dan heb je nog de kampeerderseconomie. Voordat we goed en wel zitten, komt de eerste Nederlander al polshoogte nemen. Of we gisteren ook zulk slecht weer hebben gehad en of we ook campingcheques hebben? Corine merkt op dat er wel een pasje voorin de auto ligt, maar dat het van vorig jaar is. “Nee! Dat is iets anders! Met campingcheques kun je hier staan voor 14 euro per dag. Ik vraag natuurlijk altijd eerst wat het stageld is, want als het goedkoper is dan 14 euro dan wissel ik natuurlijk de cheques niet in”, glundert de landgenoot over het vertoon van zoveel subliem economisch inzicht. Als hij weg is, constateren wij dat we patsers zijn. Wij hebben niet eens gevraagd wat het stageld is.
Ook op de volgende camping, nu aan de Middellandse Zee, worden we direct aangesproken door de Nederlandse overbuurman. Ook hij begint over de prijs van de camping en heeft weer een ander geldbesparend alternatief. Ze zijn lid van een of andere campingclub en hebben een boekje waarmee ze voor 14 euro kunnen overnachten. Corine en ik horen het verhaal aan en constateren dat je wel een grote loser moet zijn, wil je meer betalen dan 14 euro. We weten het nu zeker: ons bestaan als serieuze kampeerders is mislukt.
Dat geld een belangrijk onderwerp is op de camping blijkt ook wel uit het etaleren van de Nederlandse handelsgeest. Bij een caravan met een Nederlands vlaggetje – een noodzakelijk communicatiemiddel in campingland – staat een plastic voetenbankje te koop voor vijf euro.
De trotse Nederlandsche VOC-mentaliteit
Als ik bovenstaande foto neem van zoveel zakelijk initiatief, komt de eigenaar aanlopen. Enerzijds is hij teleurgesteld dat ik het bankje niet wil kopen, maar anderzijds ook verbaasd over mijn verwondering. “In Benidorm ken je alles op de camping kopen. Daar hep ik enkele jaren gele’e een fiets gekocht voor vier tienties en die hep ik vorig jaar hier met een klein kassie erbij voor hetzelfde bedrag weer verkocht. Als je een beetje om je heen kijk, ken je echt alles kopen.” Een tochtje over de camping wordt al snel een economische en sociologische ontdekkingsreis. Hier in Spanje wordt het gedachtegoed Balkenende in de praktijk gebracht. Onze roerganger kan trots zijn op zoveel VOC-mentaliteit!
Van de 14-euro overbuurman horen we ook dat we op een zeer bekende camping zijn beland. “Hier op camping Eden kun je in november geen staanplaats meer krijgen omdat de hele camping bezet is door Nederlandse en Duitse overwinteraars. De naoorlogse babyboom heeft het goed. Alle vutters trekken hier naartoe. Het is hier ook echt geweldig”, zegt hij enthousiast. “Die prachtige boulevard met al die restaurantjes, het oude centrum met allemaal kleine souvenirwinkeltjes en het milde klimaat.” Corine merkt droog op dat ze er niet aan zou moeten denken om een hele winter op zo’n camping te moeten doorbrengen. Het kan het geestdrift van deze eindvijftiger niet temperen.
Dat mensen hier lang staan, blijkt ook wel als je over de camping loopt. De auto’s staan ingepakt naast de caravans. Om de caravans staan bloembakken en de uitrusting is overcompleet. Bij alle caravans en campers staan schotelantennes en wordt ’s avonds druk naar de televisieprogramma’s uit de heimat gekeken. Overal staan fietsen en we horen exotische vogels zingen. Die zitten niet in de bomen, maar in een kooi bij de Belgische buren. De Duitsers op de hoek maken het nog bonter. Zij hebben een vissenkom op tafel staan met daarin een goudvis. Ik ben wel benieuwd wat Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren vindt van al die gezelligheid in de voortent.
We laten deze camping na een paar nachten voor wat hij is en trekken verder naar het zuiden. Onze Nederlandse overbuurvutter adviseert Benidorm: “Daar is het zooooo prachtig!.” Wij weten al dat we daar in ieder geval niet gezien willen worden, maar knikken echter vriendelijk en zeggen dat we wel zien waar we uitkomen.
We rijden naar het zuiden. Het landschap is hier niet echt boeiend en de plaatsjes eigenlijk nog minder dus besluiten we nog een paar dagen van de zon te genieten en zoeken een camping aan zee. Het wordt Oliva zo’n 200 kilometer zuidelijker aan de kust tussen de sinaasappel- en citroenplantages. Corine pakt de campinggids en doet als suggestie Kiko-park. Hoewel ik adviseer die gids weg te doen en op het gevoel af te gaan, volg ik slaafs de routeadviezen op en draai de camping op.
Achter de receptie neemt een chagrijnige macho met of een verkeerd scheerapparaat of een verkeerde smaak van baard (bestaan er wel smaakvolle baarden?) amper de moeite om te groeten. Hij wekt de indruk ons liever kwijt dan rijk te zijn. Misschien een goed voorgevoel.
We lopen over de camping en kiezen een plaats. Daar aangekomen met de auto, vinden we het toch niets en verkassen naar een pad verderop. Terwijl Corine naar de vrolijkert bij de receptie loopt, probeer ik de elektriciteit aan te sluiten. Op deze prijzige camping (als je geen cheques, boekjes of andere 14-euro afding papieren bij je hebt) staan de elektriciteitskasten drie plaatsen verderop. Ons snoer is te kort en het verlengsnoer van vriendelijke Nederlandse overburen biedt ook geen uitkomst. Voor mij is de maat vol en ga achter Corine aan om te vertellen dat we verder trekken. De ziener achter de receptie vindt het allemaal best en doet de poort open als we de wagen voorrijden.
Een paar kilometer verderop komen we bij camping Pepe. We denken de p weg en voelen ons direct thuis. Deze camping staat niet in de campinggids en blijkt ook geen 14 euro regime te hebben. En dat merk je dan ook direct. Er komen bijna nooit Nederlanders zegt een Nederlandse mevrouw die ons bij de poort begroet. Zij kan het weten want ze komt hier al tien jaar.
De camping is vooral in trek bij Duitsers en Spanjaarden. Terwijl we ontbijten knoop ik alle indrukken aan elkaar en zie ik het licht. Ik weet eindelijk wat mijn weerzin tegen het campingleven voedt: de bevestiging!
Als ik de parade van mannen langs zie sjokken op weg naar de wasruimte met een teiltje vol vieze vaat; als ik in het washok dezelfde types in rij naast elkaar zie staan zich te wassen en te scheren; als ik hun vrouwen met een treurige blik in de ogen en emmers vol wasgoed langs zie schuifelen; als de mannen vervolgens weer langslopen, maar nu met een chemisch toilet om te legen; als we zien dat een echtpaar de hele ochtend hun caravan van onder tot boven staat te boenen; als we de campingbewoners schijnbaar doelloos met elkaar over het terrein zien sloffen; als we ze met elkaar zien praten of voor ons gevoel altijd maar bij elkaar op de koffie zien zitten (als ze niet de tijd verdrijven met kruiswoordpuzzels of slappe romannetjes); als ik voor de zoveelste keer in de waterbak van Bram stap… dan is het mij helemaal duidelijk: op de camping openbaart zich de zenuw van de zinloosheid en troosteloosheid van het leven.
De fascinerende wereld van de mondiale haute-afwascouture
En het ergste is… je gaat er zelf in mee. Langzaam maar zeker ga je mee in het ritme en de regelmaat. Ik wil me wel verzetten, maar het heeft geen zin. Ook ik sta me ’s morgens te scheren in het washok en ook ik sjouw met een emmer pannen, borden en bestek naar de afwasplek waar ik plaatsneem naast een erg klein Duits mevrouwtje met geel plastic keukenhandschoenen, die door haar lengte bijna tot haar oksels komen. Ook ik sta ’s avonds kleding te boenen met Biotex in de daarvoor bestemde gootsteen en ook wij hebben een chemisch toilet dat zo nu en dan geleegd moet worden.
Ik weet al jaren dat het leven treurig en zinloos is. Ik constateer dat iedere dag als het wereldnieuws bij me binnenkomt. Maar door steeds weer nieuwe voor mijzelf en hopelijk ook voor anderen interessante dingen te bedenken en uit te voeren, probeer ik mezelf in de waan te laten dat mijn bestaan toch nog een klein spoortje zin heeft. Tot op heden is het mij gelukt om me op deze manier staande te houden in het troosteloze van het bestaan. Er blijkt echter een plaats te zijn waar de realiteit sterker is dan mijn drang tot zingeving: de camping.
Als je bedenkt dat onze verre voorouders noeste jagers en verzamelaars waren die met gevaar voor eigen leven hun omgeving afstruinden op zoek naar noodzakelijk voedsel, dan is er veel veranderd. De Homo sapiens ontstond ongeveer een half miljoen jaar geleden. In Europa zette hij tussen de 6000 en 3500 jaar voor Christus de eerste schreden op het pad van beschaving door zij zich min of meer op een plek te vestigden en landbouw te bedrijven. In andere delen van de wereld begon dit al eerder. Deze duizenden jaren evolutie leidde tot miljoenen slachtoffers in ontelbare oorlogen, talrijke direct of indirect door menselijk ingrijpen uitgestorven diersoorten en een uitgedijde mensenmassa op deze planeet die een bedreiging is voor de leefomgeving. En wat heeft deze ontwikkeling tot op heden opgeleverd? Als ik om mij heen kijk blijkt het voorlopige hoogtepunt in de evolutie de Homo campingus, ofwel de campingmens. Zie hier het glorieuze resultaat van duizenden jaren survival of the fittest. Na alle evolutionaire inspanning zit het sterkste product van de natuurlijke selectie onderuitgezakt in een tuinstoel op een Franse camping aan een droog riviertje.
Gefeliciteerd mensheid, met zoveel vooruitgang! Ik ben natuurlijk ook heel benieuwd hoe de mens er over duizend jaar bij zit, staat, ligt, hangt of anderszins. Helaas zal ik het nooit te weten komen. Wel weet ik hoe mijn eigen nabije toekomst eruit zal zien. Het wordt de hoogste tijd om mijn sterkste kant in te zetten voor de verdere evolutie van de mensheid. Dat betekent onmiddellijk stoppen met schrijven en rap aan de afwas!