Veel sores om de mores...

Orde en tucht in de NSB(2)...

Formeel recht regelt de procedure van vervolging. Het komt dus pas om de hoek kijken op het moment, dat een overtreding is geconstateerd of een bepaald geding beslecht moet worden. Hoewel de kennis over deze regels over het algemeen gering is, zijn ze van wezenlijk belang voor de rechtsbescherming. Zonder strikte straf/tucht procesregels zal onvermijdelijk rechtsongelijkheid en willekeur gaan optreden. Voor een eerlijk proces zijn de spelregels dan ook noodzakelijk. De NSB zou tegen haar regeldrift gezondigd hebben als ook voor het handhaven van de orde en tucht geen complex systeem in het leven was geroepen. Maar was dit systeem wel rechtvaardig en consistent?

EENVOUDIGE PROCEDURE
In de eerste tijd waren de procedures eenvoudig. Zij staan beschreven in het boekje 'Het lidmaatschap van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland'. Zo was het ontslag als lid een administratieve maatregel, die uitsluitend door de Leider of, namens hem, door de Secretaris-Generaal geschiedde. Een uitspraak hierover werd gedaan op voordracht van de Districts- of Kringleider. Deze voordracht moest 'behoorlijk met redenen omkleed zijn'. De Districts- of Kringleider moesten de betrokkene van deze voordracht 'bij aangeteekende brief' op de hoogte stellen. Een afschrift van die brief moest bij de voordracht gevoegd worden. Hoewel dat niet expliciet genoemd staat, zou de afwezigheid van het aangetekende schrijven voor de Secretaris-Generaal reden geweest kunnen zijn om de voordracht af te wijzen. Of dit in de praktijk is gebeurd, heb ik niet kunnen vinden.

Binnen acht dagen kon het lid in beroep gaan bij het Hoofd van de Afdeeling Organisatie en Personeel. Het bezwaarschrift kon echter alleen via de Districts- of Kringleider worden ingediend. Welke zekerheid de betrokkene had, dat deze brief doorgezonden was en op welke wijze hij dat kon controleren dan wel afdwingen, was niet geregeld. Er vanuit gaande, dat de brief doorgezonden was, kon de betrokkene een beslissing van het Hoofd van de genoemde afdeling of de Hoogen Raad van Discipline tegemoet zien. Niet geregeld was, dat het lid gehoord moest of kon worden om zijn visie nader toe te lichten. Alleen was geregeld, dat hij op de hoogte moeste worden gesteld van de uitspraak. Op welke wijze en - nog belangrijker - binnen welke termijn was echter niet geregeld.

Met enige goede wil, zou tot zover de procedure nog door de beugel kunnen, maar artikel 14 lid f bepaalde, dat in bijzondere gevallen het ontslag direct door de Leider of namens hem door de Secretaris-Generaal verleend kon worden. In dat geval was geen beroep mogelijk. Dat dit artikel de leiding dus een blanco cheque verschafte, ondervond bijvoorbeeld Hilda Bongertman. Op verzoek van het Hoofdkwartier schreef zij het kinderboek 'Jeugd in de branding'. Na het lezen van het manuscript was men niet gecharmeerd van het werkje en kreeg zij de opdracht enkele passages aan te passen. Dit weigerde zij, daar ze zich niet kon vinden in de anti-semitische en anti-Engelse eisen van het Hoofdkwartier. Hierop ontstond de bonje. In een brief van 17 december 1942 werd namens de Secretaris-Generaal opgemerkt, dat de weigeringen 'niet alleen als hoogst indisciplinair, doch tevens als sabotage van den nationaal-socialistischen strijd kunnen worden aangemerkt'. Gevolg was, dat Bongertman met onmiddellijke ingang van de ledenlijst werd afgevoerd. Zij kreeg meegedeeld, dat hiertegen geen beroep kon worden ingesteld bij den Hooge Raad van Discipline. Volstrekt inconsequent werd in dezelfde brief ook gemeld, dat het boekje toch zou verschijnen. En, als men dan ziet dat Bongertman in 1944 nog gewoon lid bleek te zijn van de Beweging, wordt één en ander gewoon ridicuul. Wellicht dat haar 'sexuele transformatie' daar iets mee te maken had, want op de lidmaatschapskaart 1944 stond ze onder haar oude stamboeknummer geregistreerd als 'den heer H. Bongertman'.

De schrijfster was op basis van artikel 14 lid f uit de Beweging 'verwijderd', maar ondertussen was 'Het Reorganisatiebesluit Tuchtrecht' al ruim een half jaar van kracht. Daarin werd met geen woord gerept over deze bevoegdheid van de Leider of de Secretaris-Generaal, maar er was ook niet geregeld, dat de voorgaande regeling vervallen was. Het voorval met Hilda Bongertman is dan ook een goede illustratie van de inconsequente en organisatorische puinhoop binnen de Beweging.

Toch probeerde men er alles aan te doen om de gang van zaken te stroomlijnen. Zo ressorteerde er onder het Hoofd van de Afdeeling Organisatie en Personeel een Dienst Voorschriften. Deze dienst was belast met het voorbereiden en uitvoeren van de 'noodige voorschriften en richtlijnen'. Dat dit leidde tot een geweldige bureaucratie, blijkt uit de mededeling dat maar liefst 32 brochures met voorschriften voor het kader te bestellen waren. Daar kwamen de richtlijnen, voorschriften en mededelingen van andere onderdelen, afdelingen en diensten nog bovenop. Het is dus niet zo merkwaardig, dat men door het bureaucratische bos de bomen niet meer zag. Overigens werd naast deze, bijna dwangmatige, drang tot regulering ook een permanente campagne tegen de bureaucratie gevoerd. Artikelen met krasse koppen als 'Breken met de neiging tot bureaucratie!' kwamen tegen deze achtergrond echter niet bijster geloofwaardig over.

REOGANISATIEBESLUIT
Het 'Reorganisatiebesluit Tuchtrecht' was ook zo'n poging de gang van zaken te stroomlijnen. De essentie van dit besluit is weergegeven in de brochure 'Dit moet gij weten over de NSB der Nederlanden'. 'Om de Beweging te beschermen tegen ondermijning en tegen afbreuk door misdadige practijken, slecht gedrag en verkeerde houding, kent de NSB een eigen rechtspraak. Het hoogste college daarvan is de "Hooge Raad van Discipline", die in de Districten door "Raden van Discipline" en in de Kringen door de "Vierscharen" wordt vertegenwoordigd. Het Algemeen Toezicht Leden (ATL) speelt daarin, door het verzamelen en verstrekken van inlichtingen, een belangrijke rol'.

Zoals vaker binnen de NSB was ook hier weer een benaming uit de oude doos gehaald. De 'Vierschaar' was vernoemd naar de vier banken waarop bij een middeleeuwse rechtszitting de schout, de schepenen, de aanklager en de beschuldigde zaten. Het ATL was voortgekomen uit de in 1937 opgerichte Centrale Inlichtingen Dienst (CID). Deze dienst, die tot 1940 onder leiding van Van Geelkerken stond, hield niet alleen de politieke opponenten in de gaten, maar controleerde ook de eigen leden. In juni 1941 viel het doek voor deze dienst, omdat Rauter geen politieke opsporingsdienst naast de Duitse instanties duldde. De leider, P.G. de Jager Meezenbroek, kwam echter direct aan het hoofd te staan van de nieuw opgerichte ATL. Omdat deze dienst zich niet meer met de buitenwacht mocht bezighouden, had ze alle tijd om zich met de eigen leden te bemoeien. Alle nieuwe (sympathiserende) leden moesten 'onmiddellijk na behandeling' door de Kringadministrateur onder opgave van naam, adres, geboorteplaats en -datum bij het ATL aangemeld worden. Toch kon dit instituut niet voorkomen, dat het droevig gesteld bleef met de orde en tucht binnen de beweging.

TUCHTRECHTREGLEMENT 1943
In maart 1943 verscheen een compleet tuchtrechtreglement. Secretaris-Generaal Huygen had zich uitgesloofd. Het reglement telde maar liefst 76 artikelen, waarin de nationaal-socialistische ideologie duidelijk naar voren kwam.

Alle leden, die kennis hadden van strafbare feiten - overtreding van het Wetboek van Strafrecht - waren, op straffe van disciplinaire maatregelen, verplicht hiervan 'onverwijld kennis te geven aan het ATL'. Sociale controle werd dus verplicht gesteld.

De rechtspraak der Beweging werd uitgeoefend door de Vierscharen, de Raden van Discipline, de Hoogen Raad van Discipline, De Secretaris-Generaal op vordering van de Procureur-Generaal der Beweging of op vordering van de Leider, die ook zelf kon rechtspreken. Deze procedures waren tot in detail uitgewerkt. Daarnaast was bepaald, dat alle gezagsdragers hun ondergeschikten een mondelinge berisping konden geven zonder tussenkomst van één van deze gerechten. Dat de regeldrift toch zijn grenzen kende blijkt uit de bepaling, dat tegen deze sanctie geen beroep mogelijk was.

Bij zaken, die door de Raad van Discipline of de Hooge Raad van Discipline werden behandeld, moest het ATL, op basis van artikel 30, een vooronderzoek instellen. Daar dit echter tot vertraging leidde, werd deze regeling later versoepeld 'om ernstige stagnatie te voorkomen'. Ieder lid was overigens verplicht mee te werken aan dit onderzoek van het ATL. Het reglement kende geen verschoningsrecht. Dat betekende, dat ook naaste familie en leden met een beroep of ambt met een beroepsgeheim (b.v. artsen of advocaten) opgeroepen konden worden en verplicht waren mee te werken aan het onderzoek. De aangeklaagde functionaris ontving voor de duur van de procedure verlof. Hij diende 'natuurlijk' wel zijn contributie te blijven voldoen.

In tegenstelling tot de andere procedures, was de rechtspraak door de Leider zeer summier beschreven. Op basis van het Leidersbeginsel kon hij, met voorbijgaan van iedere andere rechtsprekende instantie der Beweging, aan elk lid der Beweging ongeacht zijn functie of rang, elke straf opleggen. De Secretaris-Generaal was belast met de uitvoering van deze straf en beroep was uiteraard niet mogelijk. Hiermee had Mussert een ontsnappingsclausule ingebouwd, waarmee hij volledige greep op zijn organisatie kon houden. Ook de rechters konden namelijk door hem tot de orde geroepen worden. Van een onafhankelijke rechtspraak was dan ook geen sprake.

VOLKSCHE RECHTSPRAAK ZONDER PUBLICITEIT
Dat de leden van de rechtsprekende organen als buitenbeentjes binnen de beweging werden gezien, blijkt uit een mededeling in het Kaderblad. De Organisatieleider had geconstateerd, dat deze functionarissen amper betrokken werden bij de activiteiten. Daarom wees hij er nadrukkelijk op, dat het van het grootste belang was, dat er contact bestond tussen de leiders van de Districten en Kringen en de leden van de Raden van Discipline en de Vierschaar, 'zoodat dit rechtsapparaat door intensief contact (...) de opgedragen taak naar behooren, dus op volksche wijze, zal kunnen vervullen'.

Deze 'volksche wijze' moest overigens wel uit de publiciteit gehouden worden. In februari 1944 beklaagde de Organisatieleider zich er namelijk over, dat de uitspraken van de rechtscolleges in de Kring- en Districtsbladen werden gepubliceerd. Uitdrukkelijk werd bepaald, dat de publicatie van de uitspraken alleen dan mocht plaatsvinden wanneer dat in het vonnis was opgenomen.

AFDEELING LEDENONDERZOEK
Wie de geschiedenis van de NSB nader beschouwt, komt tot de conclusie, dat de Beweging in een permanente staat van reorganisatie verkeerde. Dit proces voltrok zij binnen alle onderdelen. Zo was op 1 augustus '44 het ATL aan de beurt en viel het doek voor de interne spionagedienst. Het ATL werd opgeheven en vervangen door de Afdeeling Ledenonderzoek. Deze afdeling functioneerde niet langer zelfstandig, maar ressorteerde onder de Hoofdafdeeling Organisatie en Personeel, waardoor ze beter gestuurd kon worden en niet langer een 'staat binnen de staat' vormde. Onder leiding van J. Scheffer was zij belast met het verzamelen en registreren van feitelijke gegevens over leden, begunstigers, aspirant-leden en aspirant-begunstigers der Beweging. Deze gegevens konden verstrekt worden aan de gezagsdragers vanaf de functie Kringleider en aan de rechtscolleges.

RAAD VOOR DE MAGISTRATUUR
Naast de reguliere rechtspraak had de Beweging ook nog enkele bijzondere colleges. Zo werd op 27 maart 1944 de "Raad voor de Magistratuur" ingesteld. Dit college moest beslissen over 'misdragingen of misslagen van leden der Beweging, die een gezagsfunctie in Overheidsdienst bekleeden, welke niet met de waardigheid van het overheidsambt vereenigbaar zijn'. Deze raad bestond uit drie leden onder voorzitterschap van de burgemeester van Rotterdam, tevens persoonlijk adviseur van Mussert, F.E. Müller. De procureur, die de zaken aanhangig kon maken, was de belangrijkste staatsrechtjurist binnen de beweging, J.H. Carp. Dat deze geen hoge pet op had van de kwaliteiten van de benoemde kameraden bleek al in augustus 1942. De volgende zin in het artikel 'Beweging en Burgemeester' spreekt boekdelen: 'In de eerste plaats zullen de kameraden-burgemeesters steeds hebben te bedenken, dat het UITSLUITEND hun verband met de Beweging is geweest, waardoor zij voor een benoeming tot burgemeester in aanmerking zijn gekomen'. Dat het geen verschrijving was, blijkt uit het feit, dat het de enige vetgedrukte zin in het artikel was en het woord 'uitsluitend' ook in die originele tekst in hoofdletters was geschreven.

SCHEIDSGERECHT
Een ander orgaan, het 'Scheidsgerecht der Beweging', was in het leven geroepen om te bemiddelen in arbeidsconflicten tussen de Beweging en haar werknemers. Een ieder die 'in loondienst aan de NSB of één harer onder- of nevenorganisaties of bij de bedrijven van de Beweging verbonden was', kon over alle voorkomende sociale geschillen, ontslagen etc. het Scheidsgerecht om een uitspraak vragen. De leider van het Rechtsfront, mr. Fruin, leidde het gerecht, dat verder uit het Hoofd Personeele Zaken en het Hoofd Sociale Zaken bestond. Eventueel kon het gerecht aangevuld worden met twee kameraden uit het onderdeel waar de klager werkzaam was.

BIJZONDERE RECHTBANK
Toen begin september 1944 de geruchten over de bevrijding leidden tot 'Dolle dinsdag', pakten veel kaderleden van de Beweging hun biezen en vluchtten naar Duitsland. Het redactioneel commentaar van de Haagsche Courant weet de geruchten zelfs aan de opstelling van de NSB-leiding. Bijzonder openhartig schreef de hoofdredacteur op 6 september, 'een dergelijke angstpsychose hadden wij zeker niet verwacht van menschen, die verklaard hebben zelfs voor hun ideaal te willen sterven'. Een dag later pakte hij wederom uit. 'Zij, die telkens weer het heengaan van de Koningin en de toenmalige regeering in de Meidagen van 1940 hekelden, hebben - terwijl er thans geen direct gevaar dreigde -, hetzelfde gedaan', aldus de commentator in de Haagsche Courant.

Van de organisatie van de Beweging was op dat moment dan ook niet veel meer over. Mussert besefte, dat de Beweging, door deze opstelling van het kader, een modderfiguur had geslagen. Op 2 oktober 1944 installeerde hij dan ook een 'tijdelijke bijzondere rechtbank'. De drie rechters kregen de opdracht 'te onderzoeken en te beoordelen, welke leden der Beweging, die op 1 September jl. belangrijke vertrouwensposten innamen, zich in de maand September in positieve of negatieve zin hebben onderscheiden'. Mussert zou zichzelf niet geweest zijn als het het 'onderscheiden' niet nader had gespecificeerd. 'Onder onderscheidingen in positieven zin versta ik een in bijzondere mate lofwaardig gedrag; onder onderscheiding in negatieve zin versta ik een bijzonder laakbaar gedrag.' Alsof een weldenkend mens iets anders kon verzinnen. De Districtcommandeur van de Landwacht voor Overijssel, de onbehouwen Rambonnet, werd benoemd tot leider van opsporing en vooronderzoek.

Veel landelijke dagbladen namen het bericht uit Volk en Vaderland over, dat Mussert tien vooraanstaande NSB-ers, 'in afwachting van de beoordeeling van hun gedragingen in September jl.', had geschorst. De lijst bevatte allemaal bekende namen als graaf Marchant et d'Ansembourg (gemachtigde voor Limburg), Ernst Voorhoeve (oud-propagandaleider), F.W. van Vloten (leider Nederlandsche Volksdienst) en L. ten Cate (hoofd van het afstammingsonderzoek). Hen was het verboden het uniform met uitmonsteringsstukken te dragen en namens de NSB op te treden. Later zouden nog twaalf leden geschorst en vervolgd worden. Deze 22 waren echter slechts het topje van de ijsberg. Het was volstrekt onmogelijk alle kaderleden, die zich 'bijzonder laakbaar' gedragen hadden te vervolgen; laat staan dat er mogelijkheden waren om de leden die zich 'in bijzonder mate lofwaardig' hadden gedragen te onderzoeken. Van de eerste tien werden overigens maar twee zaken afgerond. In vier gevallen waren de verdachten tevergeefs opgeroepen. Daarnaast werd één beklaagde, NSB-penningmeester F.W. Bilderbeek, als gevolg van de tirade van Rambonnet tijdens de zitting, door een lid van Mussert's lijfwacht, die kort daarvoor als getuige tijdens de zitting gehoord was, neergeschoten.

Het hier gepresenteerde materiaal vormt slechts een zeer beknopt overzicht. Nader onderzoek naar de interne partij-discipline, b.v. met behulp van de uitspraken van de verschillende rechtscolleges, zal zeker veel meer interessante informatie opleveren. Mij is uit het beperkte onderzoek wel duidelijk geworden, dat voor het kader en zeker voor de leden veel onduidelijk was. Dat wist men binnen de NSB blijkbaar ook, want anders schrijf je geen onzin als: 'Onze kameraden dienen te leeren beseffen, dat van hen geëischt kan worden, dat zij bepaalde opdrachten uitvoeren, zonder dat zij de strekking van deze opdrachten begrijpen. [...] De gegeven bevelen moeten door ons worden uitgevoerd in vol vertrouwen dat de orders goed zijn, ook al begrijpen wij soms niet waarom zij zijn uitgevaardigd. Ook bepaalde tegenorders kunnen onder sommige omstandigheden noodig zijn en men dient dus niet te denken, dat het geven van orders, gevolgd door latere tegenorders, een bewijs is van slechte leiding'. Tja, wat valt daar nog aan toe te voegen?

© Harold Makaske 29 augustus 2005 - Hoofdstuk: 9. Geschiedenis