Veel sores om de mores...

Orde en tucht in de NSB(1)...

Orde en tucht hebben altijd een grote rol gespeeld in de organisatie en propaganda van de NSB. Hoewel de kaderleden bijna permanent in een heftige 'competitie' verwikkeld waren om de talrijke statusverhogende functies binnen de beweging te bemachtigen, waardoor vaak conflicten ontstonden, bleef de partij hameren op een strakke orde, tucht en discipline. Ogenschijnlijke details bleken zeer belangrijk en werden in de diverse publikaties van de beweging tot overdreven proporties uitvergroot. Goede voorbeeld daarvan zijn de gewoonten en verplichtingen rondom de NSB-groet en het correct dragen van het uniform.

NULLA POENA REGEL
Hoewel intern werkend tuchtrecht niet zonder meer te vergelijken is met algemeen geldend strafrecht bestaan er een aantal overeenkomsten. Zo zijn beide gebaseerd op het principe dat bepaalde handelingen en/of gedragingen ongewenst en dus strafbaar zijn. Deze overeenkomst impliceert, dat de beginselen uit het strafrecht in grote lijnen ook van toepassing moeten zijn op het tuchtrecht.

Eén van de centrale beginselen binnen het strafrecht is de zogenaamde 'nulla poena regel'. Deze regel is neergelegd in artikel 1 van het wetboek van Strafrecht: "Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling". Dit beginsel vormt een essentiële waarborg tegen willekeur, omdat het voorkomt, dat gestraft kan worden zonder overtreding van een strafbepaling. Een strafbepaling kan dus nooit terugwerkende kracht hebben.

Nationaal-socialisten hadden niet veel op met dergelijke - op rechtszekerheid gerichte - beginselen. In een artikel "De mensch en de wet" geeft H.A.M. van der Heijden duidelijk de nationaal-socialistische visie op het recht weer: "Welnu, de wet kan slechts 'recht' zijn wanneer zij ook de mogelijkheid van de 'uitzondering' en van de dadelijke verandering in zich draagt, want aan de uitzondering en aan de verandering dankt het leven zijn rijkdom". Hij legt ook een verband met het nationaal-socialistische Leidersbeginsel als hij schrijft: Wij zijn niet bang voor de persoon van een enkelen man, (...), wij zijn blij een man als Leider te bezitten, die de wetten kan maken, veranderen, toepassen of niet-toepassen al naar gelang van zijn inzicht in de omstandigheden. (...) Zo vraagt de nationaal-socialistische rechtsleer een Leider, die boven de wetten staat en deze hanteert naar zijn inzicht. Het nationaal-socialisme vraagt ook om rechters die de wet als een bestanddeel van het leven zullen bewaren."

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de nationaal-socialistische Secretaris Generaal van het ministerie van Justitie, Schrieke, medio '43 de volgende regel aan artikel 1 van het wetboek van Strafrecht toevoegde: "Valt een feit niet onder de tekst, doch wel onder de grondgedachte van een wettelijke strafbepaling, zo is de strafbepaling toepasselijk, indien het feit naar gezond rechtsgevoel strafwaardig is". Hiermee was de 'nulla poena regel' binnen het strafrecht aan de kant geschoven en de rechtsonzekerheid geboren, want alle handelingen of gedragingen zijn wel onder de één of andere 'grondgedachte van een wettelijke strafbepaling' te brengen.

GE- EN VERBODEN
Mussert heeft van het begin af aan grote moeite gehad om de partijleden onder controle te houden. Dr. L. de Jong geeft in zijn standaardwerk een aantal mooie voorbeelden van de onenigheid onder de leden. Zo werden 1935 dagelijks voorstellen tot royementen of afzetten van functionarissen gedaan en was ook laster, roddel en achterklap aan de orde van de dag.

Er werd dan ook voortdurend gehamerd op de orde en tucht. Hoewel weinig verslagen van de diverse rechtscolleges binnen de NSB bewaard zijn gebleven, kan geconcludeerd worden dat de NSB meer dan andere partijen te maken had met wangedrag. Dat de NSB geen stabiele organisatie was, blijkt bijvoorbeeld uit de getallen omtrent het verloop van de leden. In 1938 werd één op de negen-en-twintig NSB-leden wegens wangedrag (niet zijnde wanbetalen!) geroyeerd. Binnen de S.D.A.P. gebeurde dit met één op de negen-en-twintig-honderd leden.

Welke gedragingen en handelingen waren binnen de NSB niet toegestaan? In het boekje "Het lidmaatschap der Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland" wordt een onderscheid gemaakt tussen de redenen, die tot ontslag aanleiding kunnen geven en strafmaatregelen.

Ontslag was mogelijk op grond van:
1. gegronde twijfel aan betrouwbaarheid als lid der Beweging;
2. herhaalde verstoring van den goede geest of de orde;
3. herhaald indisciplinair gedrag;
4. voortdurend in gebreke blijven bij het nakomen van zijn (haar) verplichtingen, tenzij hiervoor gegronde redenen aanwezig zijn;
5. andere redenen, die het behoud van het lidmaatschap ongewenscht maken.

De redenen, die tot het toepassen van een strafmaatregel aanleiding konden geven waren:
1. verstoring van den goeden geest of van de orde;
2. indisciplinair gedrag;
3. zonder gegronde redenen nalatigheid in het nakomen van verplichtingen;
4. gedragingen, welke een lid der Beweging onwaardig zijn, zooals openbare dronkenschap, e.d.

De strafmaatregelen konden bestaan uit een schriftelijke berisping, het ontzeggen aan een functionaris of werkend lid van het recht om voor den tijd van minstens acht dagen en ten hoogste een jaar als zodanig op te treden (het lid mocht dan wel zijn zwarte hemd en insigne dragen) en tot slot een schorsing als lid voor de tijd van tenminste één dag en ten hoogste drie maanden.

De redenen voor strafmaatregelen en ontslag waren op verschillende wijze te interpreteren. Wat zou moeten worden verstaan onder "den goeden geest" of "gedragingen die onwaardig zijn"? Dit vroeg om een nadere invulling. In diverse publikaties van de Beweging werd dan ook voorlichting gegeven over de gebruiken van de Beweging.

Zo zou het niet tonen van een lidmaatschapskaart of het zakboekje tot een strafmaatregel kunnen leiden. Elk lid had "de plicht ten opzichte van de beweging" om het insigne te dragen. De Districtleider van Den Haag wilde in 1942 nog een stap verder gaan door het dragen van het insigne te verplichten. In Onze Taak schreef hij: "Zij die tot op heden nalieten hun insigne te dragen, mogen bedenken dat zulks verloochenen van de Beweging beteekent. Deze halfslachtige houding moet verdwijnen". Een week later werd dit bericht door Volk en Vaderland overgenomen. Hiermee werd de knuppel in het hoenderhok gegooid en ontspon zich een discussie binnen de beweging. De redactie van Volk en Vaderland publiceerde 1 augustus een kritisch stuk over deze richtlijn van de Districtleider. Twee weken later werd dit stuk echter genuanceerd. "Iemand dwingen tot het dragen van het insigne is onjuist en dwaas. Gedwongen gekenteekend zijn alleen de Joden opdat een ieder gewaarschuwd zij dat hij een Jood voor zich heeft. (...) Het ging ons om de consequentie van de order van de Districtleider. Ook hierbij past nuchterheid en gezond verstand. En ook de controle moet met verstand geschieden." Mussert had ondertussen wel het dragen van het insigne tijdens diensttijd verplicht gesteld voor "Kameraden in overheidsdienst". Wat betreft het dragen van uniform in diensttijd moest men zich echter de grootst mogelijke beperkingen opleggen.

Het brengen van de groet "Hou-Zee" was verplicht. Deze groet diende op "fiere en waardige wijze" gebracht te worden. Binnen de Beweging bestond blijkbaar onduidelijkheid over de vraag wat "fier en waardig" was, want in diverse publikaties van de Beweging zijn artikelen te vinden over de manier waarop gegroet moest worden. Dergelijke vragen kwamen in het blad Vorming medio jaren dertig al aan de orde. In juni 1936 werd de vraag beantwoord of kameraden voor of na het brengen van de groet elkaar de hand mochten schudden. In 1936 bepaalde Mussert, dat bij plechtige gelegenheden en bijzondere gebeurtenissen de groet gebracht moest worden, door het strekken van den rechterarm. In het dagelijks leven moest gegroet worden met geheven open hand. Als welkomsgroet diende "het "Hou-Zee" spontaan óp te klinken". Op de openbare weg mochten er daarentegen in geen geval spreekkoren mee gevormd worden en bij openbare of besloten samenkomsten der NSB mocht het als begroeting door elk lid niet meer dan drie keer achtereen herhaald worden. Vele jaren later werd nog steeds aandacht aan het groeten besteed. Zo werd bijvoorbeeld uiteengezet hoe een NSB-er een niet-lid moest groeten en hoe een lid zich moest opstellen - en of hij moest groeten - als een begrafenisstoet langs kwam. De leden van de politieke organisatie (P.O.) hadden het recht, om, wanneer een lid van de P.O. de groetplicht verwaarloosde, deze tot de orde te roepen. Altijd een "fiere en waardige" groet brengen, kon het lid echter ook in problemen brengen, want "Er moet echter nauwlettend tegen worden gewaakt, daarbij aan mede-kameraden schade te berokkenen door dit te doen op plaatsen en op tijdstippen, die er niet voor geschikt zijn".

In het streven naar eenvormigheid ging de NSB veel verder. Zo bleek het voor de opbouw van de Nationaal-socialistische staat van essentieel belang dat geregeld was op welke wijze een kringleider en een groepsleider naast elkaar op straat liepen, en dat een brief niet afgesloten werd door middel van "met nationaal-socialisten groet" maar door "met nationaal-socialistischen groet". In de paragraaf "gedrag in het openbaar" van het lidmaatschapsboekje was het blijkbaar ook noodzakelijk te vermelden, dat een vrouw nooit geslagen mocht worden (binnenshuis mocht dat blijkbaar wel).

HET UNIFORM
Op 19 september 1933 werd het uniformverbod van kracht. NSB-ers mochten niet langer in het openbaar een partij-uniform dragen. Op 18 juni 1940 werd dit verbod weer ongedaan gemaakt. Dit leidde ertoe, dat vanaf dat moment ook het dragen van het uniform strak gereguleerd werd.

In de brochure "Distinctieven der Beweging" zijn de gebruiken ten aanzien van het uniform uiteengezet. Het gaat in dit bestek te ver om alle ge- en verboden uiteen te zetten, daarom slechts enkele voorbeelden uit deze brochure.

Aan het uniform mocht niets worden toegevoegd, de knopen van de zakken moesten onder alle omstandigheden door het knoopsgat zitten en de distinctieven mochten niet zelf vervaardigd worden. Het zwarte hemd en de das mochten niet gekreukt zijn en het was in geen geval toegestaan een zeer donkere streepjesbroek als lange "zwarte" broek te dragen. Leden van de P.O. mochten geen sporen dragen. En indien een geüniformeerde NSB-er een collectespeldje (b.v. van de Winterhulp) kocht, moest hij dat op de klep van de linker bovenzak laten spelden. Hij mocht dat speldje alleen gedurende de dag van de collecte dragen.

Toch waren overtredingen van deze regels slechts lichte vergrijpen. Voorvallen als vechtpartijen, chantage en afpersing kwamen ook voor. De Jong beschrijft een zaak voor de Raad van Discipline waarbij dronkenschap centraal stond. Daar werd door een kringleider, over de ernst van het vergrijp, gesteld, "het is een feit dat dit het niet haalt bij erger dingen die in Onze Beweging gebeuren". Reeds vroeg in de bezettingstijd nam de demoralisatie binnen de NSB toe. Secretaris Generaal Huygen gaf eind 1942 zijn oordeel over de organisatie in Overijssel: "De activiteit... is bar slecht te noemen... Er zijn in de P.O. ... zeer veel kliekjes. De deelname aan de vorming is uitermate slecht". En in het verslag van de Kringraad Den Haag werd medio 1942 opgemerkt: "De geest der blokleiders is over het algemeen verslapt".

MUSSERT TREKT DE TEUGELS AAN
Binnen de NSB waren na de Duitse inval dan ook veel leden actief, die zich alleen bekommerden om de te vergeven baantjes. Ruzie, roddel en achterklap waren aan de orde van de dag. Mussert besefte dat macht corrumpeert. Hij zag het wangedrag van velen binnen zijn beweging met lede ogen aan en tijdens een redevoering op 31 juli 1942 te Lunteren stelde hij dit thema aan de orde: "De Beweging moet zuiver zijn; iedere vorm van corruptie in de Beweging moet als een veel ernstiger fout worden aangezien dan corruptie in den staat. Onze Beweging zal zich op dit punt sterk hebben te bezinnen en het is mijn bedoeling, wat dit betreft, geleidelijk maar zeker de teugels straffer aan te trekken. Binnen de Beweging moet onderlinge critiek en wrijving mogelijk zijn, in dien vorm, dat daaruit blijkt, de wil tot opbouw en zuivering. Er zijn uitingen in de Beweging en hare organen, die erop duiden, dat van deze voor elk leven noodzakelijke vrijheid wordt gebruik gemaakt om elkaar af te kraken of te hinderen. Ik volg deze uitingen nauwkeurig en op het tijdstip, waarop ik dit gewenscht zal achten, zal aan de zondaren hun zondenregister worden voorgehouden, met alle gevolgen van dien".

TUCHTRECHTREGELING 1943
De tucht en orde moesten dus strakker worden nageleefd. In maart 1943 verschijnt van de hand van Secretaris Generaal Huygen de brochure "Het tuchtrecht der Beweging". Deze brochure bevat een volledige tuchtrechtregeling van maar liefst 76 artikelen. De tekst bevat geen artikel waarin de andere regelingen vervallen worden verklaard, maar aangenomen kan worden, dat deze regeling in de plaats trad van de oudere regelingen. Hoewel de nadruk ligt op de regeling van de tuchtrechtspraak (formeel tuchtrecht) bevat deze 'wettekst' ook een aantal materiële artikelen.

In artikel 3 wordt een definitie gegeven van strafbare feiten. "Onder 'strafbaar feit' wordt in dit reglement verstaan iedere inbreuk op de tucht, de goede houding of het goede gedrag, alsmede iedere handeling of ieder nalaten, waardoor de orde, de discipline, de kameraadschap, het belang of het aanzien der Beweging wordt geschaad of in gevaar gebracht."

In de artikelen 22 en 23 wordt deze definitie nader uitgewerkt. Op grond van artikel 22 kon een mondelinge berisping worden gegeven wegens: licht plichtverzuim; kleine nalatigheid bij de Bewegingswerkzaamheden en wegens lichte vergrijpen tegen de discipline en/of kameraadschap.

Een schriftelijke berisping kon op grond van artikel 23 worden gegeven wegens: herhaling van een der in het voorgaande artikel vermelde strafbare feiten; slecht gedrag in het openbaar, waardoor het aanzien der Beweging kan worden geschaad en wegens vergrijpen tegen de discipline, de kameraadschap of bij geroddel.

Op grond van hetzelfde artikel kon een verbod om een functie te bekleden, met verlies van het recht op het dragen van het zwarte hemd, de uniform en het wapen voor een bepaalde tijd tot een maximum van één jaar worden opgelegd wegens: Ten eerste ernstig of herhaald vergrijp tegen de discipline, de kameraadschap of ernstig geroddel; ten tweede ernstige nalatigheid in het vervullen van een functie en/of opgedragen werkzaamheden en ten derde aanstootgevend gedrag, waardoor het aanzien der Beweging werd geschaad.

Op dezelfde gronden kon ook een schorsing van het lidmaatschap worden uitgesproken voor een bepaalde tijd tot een maximum van zes maanden. Tot slot konden deze overtredingen aanleiding zijn voor het intrekken van het Eereteeken "Strijd en Offer" en van de daarbij behorende bul, met vervallen verklaren van alle daaraan verbonden rechten. Dit kon ook gebeuren "bij handelingen of gedragingen, die in strijd zijn met de plichten en de eer van een drager van het Eereteeken".

Tot slot gaf dit artikel drie gronden voor royement. Als eerste feit werd genoemd: herhaling van, of het plegen van ernstige feiten als hierboven omschreven, ten tweede zouden gedragingen die in strijd waren met de plichten en de eer van een nationaal-socialist tot royement leiden en ten derde kon een lid worden geroyeerd om reden van Bewegingsbelang.

Wat bij dit artikel opvalt, is dat geroddel strafbaar is gesteld. Mussert's woorden over "uitingen die gebruikt worden om elkaar af te kraken en te hinderen" werden op basis van dit tuchtrechtreglement strafbaar. Verder valt op dat ook deze tekst zeer ruim te interpreteren valt. Zo kan bijna alles in strijd zijn met de eer van een nationaal-socialist en zou iedere handeling om reden van Bewegingsbelang kunnen leiden tot royement als dat de leiding zou uitkomen. Op grond van dit artikel had de Beweging een vrije hand in het straffen van leden.

MOGELIJKHEDEN VOOR WILLEKEUR
Desalniettemin vond de leiding het nodig om een aantal extra veiligheidskleppen in te bouwen. In artikel 25 werd gesteld, dat "de in dit hoofdstuk omschreven strafbare feiten niet limitatief zijn. Als richtsnoer voor de vraag, of er sprake is van een strafbaar feit, geldt artikel 3 van dit reglement". Daar kon dus alles onder vallen. Daarnaast wordt ook nog het leidersbeginsel toegepast in artikel 49: "De leider kan, met voorbijgaan van iedere andere rechtsprekende instantie der Beweging, aan elk lid der Beweging, ongeacht zijn functie of rang, elke straf opleggen". De formulering van dit artikel maakte het niet noodzakelijk, dat er een strafbaar feit gepleegd moest zijn. Dat zou ook in strijd zijn met de nationaal-socialistische rechtsleer, want deze vraagt "een Leider, die boven de wetten staat en deze hanteert naar zijn inzicht". Feitelijk kon een lid dus gestraft worden zonder daarbij een strafbepaling te hebben overtreden. De ruime omschrijvingen in de artikelen 22 en 23 boden echter voldoende aanknopingspunten om in de praktijk een 'stok' te zijn om het lid mee te slaan.

Met deze regeling had de NSB zich een riante positie binnen het tuchtprocesrecht gegeven. De Beweging kon met deze regeling in de hand, volstrekt willekeurig, alle lastige leden in toom houden. Dat het procesrecht niet veel meer waarborgen voor de verdachte leden bevatte, leest u in : Veel sores om de mores (2)

© Harold Makaske 29 augustus 2005 - Hoofdstuk: 9. Geschiedenis